23/06/2026
Juni is de maand waarin heel wielrennend Nederland ineens een tikje romantisch wordt. De rood‑wit‑blauwe trui hangt als een soort heilige graal boven het peloton. Een jaar lang herkenbaar zijn, een jaar lang een beetje meer gezien worden — wie wil dat nou niet. Nou ja, behalve de meerderheid die na drie kilometer al merkt dat dromen en benen niet altijd samenwerken.
Bij de jeugd speelt al jaren de vraag of die kampioenstrui daar eigenlijk wel thuishoort. De KNWU denkt er soms hardop over na om ’m af te schaffen, want het zou om plezier moeten draaien. Een mooi principe, zolang ouders en trainers niet vergeten dat hun kind geen WorldTour‑contract hoeft te verdienen op z’n veertiende. Maar verwachtingen zijn hardnekkig. En soms luider dan een bel.
Afgelopen weekend stonden Roy Schriemer en ik in Oosterwolde. NK nieuweling‑meisjes. De spanning hing in de lucht als een onweersbui die nog net niet losbarst. En jawel: na de finish de bekende taferelen. Tranen van teleurstelling, tranen van spanning, tranen van “maar ik had toch echt kans?”. En daar tussendoor de bijbehorende figuranten: troostende moeders die hun kind weer bij elkaar proberen te vegen, en vertwijfelde vaders die naar het wegdek staren alsof daar ergens een verklaring ligt voor het mislopen van de top tien. Het is bijna aandoenlijk, als je het niet al zo vaak had gezien.
En toch — tussen al die emoties door — zie je ze altijd. Die paar meiden die stralen. Niet omdat ze per se gewonnen hebben, maar omdat ze trots zijn op hun koers. Omdat ze zichzelf verrasten. Omdat ze plezier hadden. Alsof ze de essentie van sport beter begrijpen dan menig volwassene langs de kant.
En dan is er natuurlijk die ene winnares. De glunderende kampioene die het rood‑wit‑blauw wél mag dragen. Niet omdat ze het eiste, maar omdat ze het verdiende. Omdat ze op het juiste moment de juiste benen had. Omdat ze, heel simpel, de beste was.
Tussen alle tranen, verwachtingen en ouderlijke theaterstukjes door is dat misschien wel de mooiste les van juni: dromen mogen, verliezen mag, maar winnen — écht winnen — dat blijft iets om van te glunderen.