Cairo, the capital and largest city, is the most modern in the Middle East and Africa. It is bounded on the north by the Mediterranean Sea, on the east by Israel and the Red Sea, on the south by Sudan, and on the west by Libya. The country has a maximum length from north to south of about 1086 km (about 675 m) and a maximum width, near the southern border, of about 1255 km (about 780 m). It has a
total area of about 1,001,450 sq km (about 386,662 sq m). Less than one-tenth of the land area of Egypt is settled or under cultivation, this consists of the valley and delta of the Nile, a number of desert oases, and land along the Suez Canal. More than 90 percent of the country consists of desert areas: In the west, the Libyan Desert, a part of the Sahara Desert which is also known as the Western Desert. The Libyan Desert includes a vast sandy expanse called the Great Sand Sea. Located here are several depressions with elevations below sea level, including the Qattara Depression, which has an area of about 18,000 sq km (about 7000 sq m) and reaches a depth of 133 m (436 ft) below sea level, the lowest point in Africa. Also found here are the oases of Siwa, Kharga, Baharia and Dakhla. In the east the Arabian Desert, also called the Eastern Desert (which borders the Red Sea and the Gulf of Suez). Much of the Arabian Desert occupies a plateau that rises gradually east from the Nile Valley to elevations of about 600 m (about 2000 ft) in the east and is broken along the Red Sea coast by jagged peaks as high as about 2100 m (about 7000 ft) above sea level. In the extreme south, along the border with Sudan, is the Nubian Desert, an extensive region of dunes and sandy plains. The Sinai Peninsula consists of sandy desert in the north and rugged mountains in the south, with summits looming more than about 2100 m (about 7000 ft) above the Red Sea. Mount Catherine (Jabal Katrìnah - 2637 m/8652 ft), the highest elevation in Egypt, is in the Sinai Peninsula, as is Mount Sinai (Jabal Mosa), where, according to the Old Testament, Moses received the Ten Commandments. The Nile enters Egypt from the Sudan and flows north for about 1545 km (about 960 m) to the Mediterranean Sea. For its entire length, from the southern border to Cairo, the Nile flows through a narrow valley lined by cliffs. Lake Nasser, the world's largest man-made reservoir and formed by the Aswan high dam, extends south across the Sudan border. The lake is about 480 km (about 300 m) long and is about 16 km (10 m) across at its widest point. About two-thirds of the lake lies in Egypt. South of a point near the town of Idfu, the Nile Valley is rarely more than 3 km (2 m) wide. From Idfu to Cairo, the valley is about 23 km (about 14 m) in width, with most of the arable portion on the western side. In the vicinity of Cairo the valley merges with the delta, a fan-shaped plain, the perimeter of which occupies about 250 km (about 155 m) of the Mediterranean coastline. Silt deposited by the Rosetta (Rashid), Damietta (Dumyat), and other distributaries has made the delta the most fertile region in the country. However, the Aswan High Dam has reduced the flow of the Nile, causing the salty waters of the Mediterranean to erode land along the coast near the Nile. A series of four shallow, brackish lakes extends along the seaward extremity of the delta. Another larger lake, Birkat Qarun, is situated inland in the desert north of the town of Al Fayoum. Geographically and traditionally, the Nile Valley is divided into two regions, Lower Egypt and Upper Egypt, the former consisting of the delta area and the latter comprising the valley south of Cairo. Although Egypt has about 2450 km (about 1520 m) of coastline, two-thirds of which are on the Red Sea, indentations suitable as harbours are confined to the delta. The Isthmus of Suez, which connects the Sinai Peninsula with the African mainland, is traversed from the Mediterranean to the Gulf of Suez by the Suez Canal. dutch
Het Oude Egypte, ook wel faraonisch Egypte genoemd, was een beschaving die ontstond als verenigde staat rond 3000 v.Chr. en tot 332 v.Chr. bestond. Archeologisch bewijsmateriaal wijst erop dat voor de eenwording van Egypte rond 3000 v.Chr. reeds lokale pre-historische culturen in het Nijldal bestonden
De jaarlijkse overstromingen van de Nijl zorgden voor vruchtbare grond waarop landbouw mogelijk was en één van 's werelds grootste oude beschavingen kon floreren. Het eerste verenigde koninkrijk werd gesticht rond 3200 v.Chr. door koning Menes. Verschillende dynastieën regeerden over Egypte voor de daaropvolgende drie millennia. De laatste 'Egyptische' dynastie, de dertigste dynastie, werd in 341 v.Chr. door de Perzische Achaemeniden verslagen. Later werd Egypte door diverse buitenlandse (Griekse, Romeinse, Byzantijnse en Turkse) dynastieën geregeerd. Het waren de islamitische Arabieren die in de zevende eeuw de islam en het Arabisch in het land introduceerden. Het land viel in eerste instantie onder het Arabische Rijk geregeerd door de Kalief, maar werd eerst min of meer zelfstandig en later overheerst door de Fatimiden, die een tegen-kalifaat stichtten. Na de kruistochten, waarbij de christelijke ridders nooit echt voet aan de grond kregen in Egypte, was het de Turkse slavenklasse van Mamelukken die een dynastie stichtte in Egypte. In 1517 veroverde het Ottomaanse Rijk Egypte en vanaf toen regeerden de Mamelukken in naam van de Ottomanen. De Britten, geleid door Horatio Nelson, verslaan de Fransen bij de Slag van de Nijl (1798)In 1798 werd het land voor een periode van negen maanden bezet door Franse expeditietroepen onder leiding van generaal Napoleon Bonaparte. Nadat de Britten onder leiding van admiraal Horatio Nelson een kustblokkade instelden, ontvluchtte Napoleon het land met achterlating van zijn leger. In de negentiende eeuw werd Egypte een belangrijk land voor de Europese kolonialisten. Met name de aanleg (gefinancierd met Brits en Frans kapitaal) van het Suezkanaal maakte het land strategisch zeer belangrijk. De Britten waren zeer royaal met het verstrekken van leningen en spoedig zat Egypte zo diep in de schulden, dat het compleet afhankelijk was van de Britten. In 1882 namen de Britten Egypte over, maar de khedive (onderkoning) zwoer officieel zijn trouw aan de Ottomaanse sultan. In de Eerste Wereldoorlog werd Egypte een Brits protectoraat. In 1922 werd het land gedeeltelijk onafhankelijk van het Verenigd Koninkrijk en werd in naam geëxperimenteerd met democratie, maar achter de schermen hielden de Britten het land stevig in hun greep. Britse soldaten tijdens de Tweede slag om El Alamein (1942)Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de Britten bijgestaan door ANZAC-troepen in het behouden van het strategisch gelegen land. Tegelijk werden vanuit Egypte de offensieven tegen de Asmogendheden gelanceerd, eerst in 1941 in Abessinië en in Libië (tegen de Italianen) en op Kreta (tegen de Duitsers), in 1942 tegen het Afrika-korps van Erwin Rommel dat bij het in het westen gelegen El Alamein teruggeslagen werd en in 1944 richting Griekenland en Joegoslavië. Gedurende de gehele Wereldoorlog vertrokken er konvooien van en naar Gibraltar om Malta te bevoorraden. Het Suezkanaal diende als doorvoer van troepen van en naar Brits-Indië, Australië en Nieuw-Zeeland en naar de troepen die tegen de Japanners vochten. In 1952 werd een staatsgreep gepleegd waarbij koning Faroek werd afgezet en generaal Mohammed Naguib als president benoemd werd. In 1954 werd Gamal Abdel Nasser, de werkelijke architect van de revolutie, president. Zijn politiek van het nasserisme, een combinatie van Arabisch nationalisme en socialisme, was bijzonder populair in het land en de verdere Arabische regio. Door Nassers nationalisatie van het Suezkanaal werd de woede van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk gewekt. Deze landen vormden met Israël een complot, wat leidde tot de Suezcrisis van 1956. Tussen 1958 en 1961 vormden Egypte en Syrië een unie, de Verenigde Arabische Republiek (VAR) en een confederatie met Noord-Jemen onder de naam Verenigde Arabische Staten (VAS). Zowel de VAR als de VAS viel voor eind 1961 uiteen over de kwestie van het leiderschap. In de Zesdaagse Oorlog (juni 1967) werd de Sinaï door Israël bezet, maar erger was nog dat de samenwerkende legers van Syrië, Jordanië en Egypte zo snel en eenvoudig door de Israëliërs verslagen werden; president Nasser trad daarop af. Tijdens de Jom Kipoeroorlog in oktober 1973 namen Syrië en Egypte wraak, maar ook dat mislukte. In 1978 werden tussen Egypte en Israël de Camp David-akkoorden getekend, wat tot betere onderlinge betrekkingen leidde. In januari 1977 brak het zogeheten Broodoproer uit toen de regering besloot de al twintig jaar bestaande subsidies op een aantal eerste levensbehoeften af te schaffen, dit op advies van diverse financiële hulpverleners zoals de rijke Arabische landen, het IMF en de Wereldbank. In onder meer Caïro, Alexandrië en Aswan gingen duizenden burgers de straat op en kwam het tot vernielingen, brandstichtingen en gevechten met de politie waarbij 70 doden en 800 gewonden vielen. President Sadat trok ijlings het besluit tot afschaffing van de subsidies in. Stakingen en demonstraties werden verboden en vooral linkse activisten/journalisten en intellectuelen werden massaal gearresteerd. Nadat president Anwar Sadat in 1981 door islamitische extremisten werd vermoord, werd hij opgevolgd door zijn voormalige vicepresident Hosni Moebarak. Deze leidde bijna dertig jaar het land praktisch als dictator. Na de geslaagde Jasmijnrevolutie in Tunesië tegen het autoritaire regime, braken vanaf 25 januari 2011 ook onrusten uit in diverse Egyptische steden. Na achttien dagen van protest trad Moebarak op 11 februari af en droeg hij zijn macht over aan de Opperste Raad van de