30/08/2026
Chanan Hertzberger - “Ik zou niet weten wat het is, niet Joods zijn"
Amsterdam, april 2025. Het kantoor van Chanan Hertzberger ademt bedrijvigheid. Internationaal, veeltalig, vol mensen die hij bij naam kent. Toch is dit gesprek anders dan zijn werkdag. Vandaag praten we niet over zijn onderneming, maar over wat het betekent om Jood te zijn in Nederland, hier en nu.
Hertzberger is sinds 2022 voorzitter van het Centraal Joods Overleg, het CJO — de koepelorganisatie die de Joodse gemeenschap in Nederland vertegenwoordigt naar de overheid. Het is een rol die veel van hem vraagt. 'Gisteren had ik NRC, daarna met Maror een bespreking, daarna de Amerikaanse Special Envoy voor antisemitismebestrijding.' Hij zegt het zonder te klagen. Het is gewoon hoe het gaat.
Een van de dossiers die hem bezighoudt is de zogenoemde NK-collectie: duizenden kunstvoorwerpen en gebruiksvoorwerpen die na de oorlog zijn teruggevonden in Duitsland en sindsdien in Nederlandse staatshanden zijn. Hertzberger was onlangs in het depot in Amersfoort, een bunkerachtig gebouw waar een groot deel van die collectie ligt opgeslagen. 'Je ziet er bijvoorbeeld een Shabbat-servies liggen. Van wie is dat? Niemand weet het meer.' De overheid heeft nu besloten dat de collectie als Joods wordt beschouwd, tenzij het tegendeel bewezen is. Een omgekeerde bewijslast die lang op zich heeft laten wachten.
Chanan is geboren in Amsterdam-Zuid, in 1964. Zijn vader was bestuurder van de Joodse Gemeente Amsterdam, zijn moeder actief bij de WIZO. Het Joodse leven was de vanzelfsprekende achtergrond van zijn opgroeien. 'Het speelde altijd een rol.' De oorlog was aanwezig, niet als gespreksstof maar als grondlaag. Zijn moeder, geboren in 1942, was ondergedoken in Hillegersberg. Ze werd regelmatig in een kast opgesloten, vertelde ze later. Haar vader heeft de oorlog niet overleefd. Haar moeder trouwde daarna opnieuw, met meneer Coronel, die de zorg had over zijn nichtje; zij werd als een zus voor Chanans moeder. Uit dit huwelijk werden twee halfbroers geboren.
Hij gaat iedere dag naar de sjoel. Eén keer, erkent hij, terwijl het er eigenlijk twee zouden moeten zijn. De echte orthodoxen vinden hem daardoor een halve afvallige, de niet-orthodoxen vinden hem streng gelovig. Ergens daartussenin zit de man zelf. ‘Ik laat me niet zo makkelijk een label opplakken. Ik ga iedere dag naar de sjoel, zit op Shabbat nooit aan de telefoon. Ik ben gewoon Joods. That’s it'
Na 7 oktober heeft hij zijn pet afgedaan. Zijn keppel is weer zichtbaar. 'Je moet toch sterk zijn.’ Hij weet dat hij dat kan zeggen vanuit een bevoorrechte positie; aan het hoofd van een internationaal bedrijf, diep geworteld in de Joodse gemeenschap waar hij woont en werkt. Maar voor anderen ligt dat anders. Voor de studente op de universiteit. Voor de werknemer in loondienst. 'Als je die vrijheid niet hebt, kan je eigenlijk niet meer de Jood zijn die je wil zijn.'
Wat hem vooral erg bezighoudt, is de zwijgende meerderheid. 'In de oorlog had je vijf procent goed en vijf procent fout, en negentig procent die gewoon doorleefde alsof er niets aan de hand was.' Die negentig procent is voor hem het urgentst. Niet de openlijke antisemieten. Maar de mensen die zeggen: ik vind het allemaal zo ingewikkeld. 'Ik heb liever dat je je uitspreekt en tégen Joden bent. Dan weet ik tenminste waar ik aan toe ben.'
Het gesprek glijdt naar de toekomst van de Joodse gemeenschap in Nederland, en zijn toon wordt stiller. 'We hebben een schaalprobleem.' Wie leidt de sjoel diensten? Wie geeft les op de Joodse scholen? 'Je hebt een behoorlijke Joodse infrastructuur nodig. En die staat echt onder druk.' Hij zegt het als iemand die de cijfers kent en de consequenties overziet.
Ik vraag hem ten slotte: zou je ook wel eens niet Joods willen zijn? Hij denkt even na. 'Ik zou niet weten wat het is,' zegt hij. En dat is eigenlijk het antwoord.
Tekst en beeld: Julie Blik Fotografie FACESTORIES Julie Blik
�